Waarom een uitgevonden taal de wereld verdient
Eind negentiende eeuw bedacht een oogarts uit Polen, Ludwik Zamenhof, een compleet nieuwe taal. Hij noemde haar Esperanto, wat 'iemand die hoopt' betekent. Zijn droom was eenvoudig en mooi: een taal die niemand toebehoort, zodat mensen uit verschillende landen elkaar als gelijken kunnen begrijpen. Ik vind dat dit idee, ook al is het meer dan honderd jaar oud, vandaag nog steeds onze steun verdient.
Esperanto is met opzet makkelijk te leren. De grammatica kent bijna geen uitzonderingen en de woorden zijn logisch opgebouwd. Wie Esperanto leert, hoeft niet jaren te zwoegen zoals bij veel andere talen. Volgens mij is dat een groot voordeel. Stel je voor dat kinderen overal ter wereld één gemeenschappelijke taal zouden leren naast hun eigen taal. Niemand zou zich dan de mindere voelen omdat hij de taal van een ander land minder goed spreekt.
Critici zeggen dat Esperanto nooit echt is doorgebroken en dat Engels die rol allang heeft overgenomen. Dat klopt, maar het maakt het idee niet minder waardevol. Engels hoort bij bepaalde landen, met al hun macht en geschiedenis. Esperanto hoort bij niemand en juist daarom bij iedereen. Dat het nooit de wereldtaal werd, betekent niet dat het mislukt is.
Er zijn nog altijd honderdduizenden mensen die Esperanto spreken, van Brazilië tot Japan. Ze schrijven boeken, maken muziek en ontmoeten elkaar op congressen. Ik denk dat we deze taal moeten koesteren als een levend voorbeeld van een prachtig idee: dat begrip tussen mensen niet hoeft af te hangen van wie de machtigste is. Een taal van hoop verdient het om te blijven bestaan.